My Fascia, oftewel mijn reis door “Fascialand”. Jaap van der Wal Mijn eerste en belangrijkste contact met de osteopathie is tot stand gekomen doordat in kringen van osteopathie mijn fenomenologische benadering van het menselijk embryo gezien en erkend werd. In Nederland is het instituut Panta Rhei de eerste opleiding Osteopathie geweest die mij gevraagd heeft om mijn cursus Het embryo in ons – Embryo in Beweging te komen geven. En zo geef ik deze cursus alweer meer dan 10 jaar ongeveer elke twee jaar aan deze opleiding. Maar ook in het buitenland maak ik zogezegd furore met mijn fenomenologische menskunde, ook wel dynamische morfologie genoemd. Ik ben er achter gekomen dat dat vooral is omdat deze benadering van het menselijk lichaam recht doet aan ons mensen als wezen van geest én lichaam, van ziel én lijf. Ik ben zelf geen osteopaat en heb ook geen opleiding in de osteopathie genoten maar ik heb inmiddels al wel zoveel van Andrew Taylor Still en zijn werk begrepen dat het ook bij de osteopathie toch om een tweegeleed mensbeeld gaat (NB wel te onderscheiden van een dualistisch of Cartesiaans mensbeeld!) verwoord in zijn stelling: Man is mind, Motion, Matter. Doordat ik tevens ook in aanraking kwam met en cursus gaf aan onder meer instellingen voor Polarity Medicine, (met als founding father Randolph Stone) en zelf zogezegd uit de antroposofie van Rudolf Steiner ‘stam’, zijn drie mannen (Still, Stone en Steiner) voor mij eigenlijk de belangrijke filosofische inspiratiebron geworden voor mijn fenomenologische menskunde. Ik beschouw mezelf als een pluriform denkend mens en laat mij niet graag in categorieën of hokjes indelen. In die zin ben ik erg blij dat mijn fenomenologische menskunde door meerder soorten professionals in behandeling, therapie en menskunde kennelijk herkend wordt. Dat gebeurt echter niet overal zonder slag of stoot of tegenwind. Zo bestaan er binnen de osteopathie bijvoorbeeld nogal verschillende stromingen en opvattingen met als “extremen” de meer spiritueel georiënteerde biodynamische osteopathie en aan de andere kant de uiterst structureel georiënteerde pool van de Cranial Academy of Osteopathy in Amerika. Bij deze laatste groep gaat men zelfs zo ver dat men absolute erkenning van de osteopathie door de officiële natuurwetenschap nastreeft en deze ook meent te vinden in het gegeven dat in sommige Amerikaanse staten een DO opgeleid binnen de Cranial Academy of Osteopathy ook als MD erkend wordt. Ik denk echter dat het niet mogelijk is om het osteopathische denkgoed ‘erkend’ te krijgen door de natuurwetenschappelijke geneeskunde dan wel zonder compromissen te doen te onderbouwen met de natuurwetenschappelijke methode. Dat kan volgens mij ook qualitate qua niet, want men moet, om erkend worden door de huidige puur materialistisch gefundeerde (natuur)wetenschap, natuurlijk “zijn ziel opgeven”. In letterlijke en in figuurlijke zin. Daarom is het van mijn cursus Embryo in Beweging een belangrijk ingrediënt en voor mij een missie geworden om de mensen te laten zien dat men ook een meer spiritueel georiënteerde menskunde eenvoudigweg met wetenschappelijke feiten onderbouwen kan maar dat men daarmee nooit ‘bewijzen ’of ‘wetenschappelijk aantonen’ kan dat geestelijke aspecten in mens en wereld ook werkelijk bestaan. Want het ontbreekt de moderne natuurwetenschap aan methodologie om het zogenaamd spirituele dan wel bovenzinnelijke meetbaar of ponderabel te maken. Daarentegen is alles wat ik in mijn fenomenologische, min of meer spirituele embryologie vertel, natuurlijk gebaseerd op wetenschappelijke feiten en waarheden. Maar naar mijn bescheiden mening levert de ‘gangbare’ of ‘reguliere’ wetenschap ons altijd een halve waarheid. Geen onwaarheid dus, maar een halve waarheid: voortdurend ontbreekt het aspect van finaliteit, zingeving en geest. Dus, men kan wel methodologisch bruggen slaan tussen natuurwetenschap en spiritualiteit c.q. osteopathie maar nooit kan het streven gehonoreerd worden om door eerstgenoemde erkend of bewezen te worden. Een praktijkvoorbeeld moge duidelijk maken wat ik bedoel. De Academy of Cranial Osteopathy heeft mij dan ook, nadat ik daar tweemaal een workshop gegeven had (één over het vraagstuk van lichaam en ziel en één over het embryonale bestaan), officieel uit het programma geweerd waarbij als belangrijkste argument onder woorden werd gebracht, dat zij de fenomenologische benadering niet erkennen als een wetenschappelijke methode om handelen en denken in de osteopathie te legitimeren. Gelukkig is dat in Nederland en zeker binnen de kringen van Panta Rhei wel anders en ervaart men daar de fenomenologische beschouwingswijze op zijn minst als een zinvolle aanvulling op het osteopathische denken en handelen. Maar hoe zit dat nu met ‘mijn fascia’? Ik ben een klassiek opgeleide medisch anatoom. In mijn opleiding en in mijn functioneren als onderzoeker en docent op het gebied van de menselijke anatomie was de fascie als orgaan of systeem op zich geen item. Natuurlijk kenden we fascies en die werden ook benoemd en geprepareerd maar zoiets als een systeem van bindweefsel in samenhang met onder meer spierweefsel, dat was in feite niet bekend, of liever: werd niet erkend. Sterker nog, het werk dat ik met mijn collegae van destijds (Henk van Mameren en prof. Jan Drukker) aan de universiteit van Maastricht verrichtte op het gebied van de architectuur van het bindweefsel in het houdings- en bewegingsapparaat werd in feite in de reguliere medische anatomie meer als een eigenzinnig alternatief dan als een welkome aanvulling gezien. Het denken in architecturale en daarmee ook mechanische verhoudingen in het houdings- en bewegingsapparaat vereiste het om doorheen de bekende anatomische entiteiten als botten, spieren en ligamenten te denken. En zoiets is nooit populair in de gevestigde wetenschappelijke orde. Met mijn vriend en collega Henk van Mameren ging ik zelfs een stuk verder en begon het mij te dagen dat de analytische benadering van de dissectie-anatomie tot een mijns inziens filosofisch fatale denkfout heeft geleid, die uitstekend past in het concept dat een geheel, een organisme als een machine is opgebouwd te denken uit organen en onderdelen. Dit concept wordt in menig modern anatomieboek (Prometheus) tot een bijna karikaturale los-zand-anatomie van de mens doorgevoerd. Echter door meer en meer het embryologische denken toe te passen op en te confronteren met het anatomische denken, werd het mij duidelijk dat de anatoom veel meer kapot heeft gemaakt dan ons lief is. En dat juist die begrippen, die ik meende te horen van osteopaten als het gaat om fascie (zoals continuïteit, integratie, organisator), in de afgelopen eeuwen uit het jargon en daarmee ook uit het denken van de anatoom en medicus verdwenen zijn, sterker nog: weg-gedacht zijn. Dit is in feite de oorzaak van de methodologische en filosofische kloof die lijkt te bestaan tussen osteopathie en geneeskunde maar die bij nader inzien eenvoudig te overbruggen moet zijn door het medisch anatomische denken aan te vullen met een meer zogenaamd holistische benadering. Op die manier kunnen twee halve waarheden tot een geheel worden ‘erweitert’ (het begrip dat Rudolf Steiner bijvoorbeeld gebruikt om de antroposofie als wetenschappelijk methode te kenschetsen). En zo geschiedde in mijn biografie. Mijn wetenschappelijk werk over de architectuur van het bindweefsel en de rol die dat speelt in het functioneren van het houdings- en bewegingsapparaat en in de organisatie van onze propriocepsis, is in de jaren 90 eigenlijk om redenen van carrière-technische aard onder het tapijt verdwenen. Ik veranderde van werk en werkomgeving en kon daarmee niet meer een bijdrage leveren aan de implementatie van deze nieuwe inzichten. Ondanks de inspanningen van mijn oud-collegae vond het architecturale denken, behalve in anatomische kringen, niet of nauwelijks weerklank en bleef in klinische (orthopedische) kringen min of meer een witte raaf. In 2009 echter was het een oud- collega, te weten Prof. Huijing van de afdeling anatomie van de VU die het tweede internationale Fascia Research Congres in Amsterdam organiseerde, die zich de betekenis realiseerde van mijn oude wetenschappelijk werk in het kader van het concept van fascie zoals hij dat was gaan ontmoeten in kringen van osteopathie en fasciaresearch. Even kort door de bocht gesteld komt het hierop neer dat ik in mijn voordrachten en publicaties de continuïteit van de bindweefselarchitectuur weer op de kaart zette en duidelijk aantoonde dat het denken in spiermannen dan wel in een bewegingsapparaat, opgebouwd te denken uit separate spieren, banden en botten, misschien in de praktijk wel als zodanig kan werken en praktisch toe te passen is, maar theoretisch een functionele onmogelijkheid en een halve waarheid is. Zelfs de hersenen van de mens “weten niets van spieren”: ons organisme leeft en is georganiseerd in bewegingen, en dat zijn spieranatomie-overstijgende gebeurtenissen. Bovendien werken in elk houdings- en bewegingsapparaat (overigens ook bij de vorming en ontwikkeling daarvan) slechts twee krachten: grofweg gesteld, trek- en drukkrachten. En zo ontwikkelde ik het concept van dynamenten, dat zijn architecturale eenheden van bindweefsel en spierweefsel in serie met elkaar die tussen skeletelementen verbindend en ruimte- scheppend aanwezig zijn. Min of meer onverwacht bleek dit concept van tweedeling in het houdings-en bewegingsapparaat te harmoniëren met het in ‘fascia-kringen’ opkomende denken in tensegrity model. Dit laatste model wordt door bovengenoemd denken in architecturale eenheden in plaats van spier- eenheden bovendien daarom ook nog eens extra bevestigd, omdat het op zich statische model van de integriteit en tensegrity omgevormd en om-gedacht kan worden naar een dynamisch model, een waarlijk houdings- en bewegingsapparaat. Bovendien sloot het dynament-model ook beter aan bij een concept dat ik ook voortdurend probeer onder de aandacht te brengen, namelijk dat wij in onze zogenaamde ‘locomotie’ niet (enkel) bewegen maar in feite zeer snel in hoge frequentie van houding veranderen. Onze bewuste locomotie heeft eigenlijk veel meer weg van een Gestaltung: een houdings- én bewegingsapparaat dus. Met als centrale activiteit het voortdurend bewaren van de stabiliteit en evenwicht binnen het gehele apparaat: het hele lichaam en apparaat neemt deel aan de houding en beweging van de deelelementen. Daar nog eens aan toegevoegd dat ook het brein niet in ‘apparaat’ maar in ‘beweging’ is georganiseerd, begon het mij te dagen dat dit architectuurconcept van spier- en bindweefsel veel geëigender is om het fenomeen van de menselijke houding en beweging te begrijpen. Inmiddels begon ik te beseffen dat ik in mijn denken als embryoloog meer gefocust was geworden op complementaire wetenschap en methoden zoals de fenomenologie en dat dat náást mijn officiële wetenschappelijke arbeid in universitaire academische kringen was komen te staan. Zo kwam een belangrijke bevruchting tot stand in mijn denken (en inmiddels ook in de stof die ik tijdens mijn cursussen onderwijs) tussen het anatomische apparaat-denken en het fenomenologische gebaar-denken. Ik begon mij de eenvoudige vraag te stellen: “Waar komt toch de fascie vandaan en wat zou dat kunnen zeggen over de functionele betekenis van fascie?”. Niet verklaren (causaal denken) maar verstaan en begrijpen (finaal denken) is het doel van de fenomenoloog. En zo kwam het mesoderm in zicht. Nee, niet het mesoderm maar het ‘meso’. Of, zoals Blechschmidt het als eerste (en naar mijn mening nog steeds als enige) verwoordde: het Innengewebe (Duits), daarmee onderscheid makend met de ectodermale en entodermale, respectievelijk pariëtale en viscerale lichaamswanden met bijbehorende organen. Twee lichaamswanden is genoeg, het meso is niet kiemblad of kiemlaag nummer drie maar het ‘innerlijke’, het er-in-tussen. De fascie representeert in ons organisme het ‘innerlijk’, de viscera letterlijk en figuurlijk onze ‘binnenkant’, het ectoderm en alles wat daarbij hoort onze ‘buitenkant’. Slechts twee dimensies, slechts twee kwaliteiten, slechts twee processen staan in het meso centraal: verbinden en ruimte scheppend (scheiden), in allerlei vorm en gedaante. Met dit eenvoudige, bijna simplistische model kan men vanuit het primitieve bindweefsel mesenchym alle organen denken alsmede alle weefsels die betrokken zijn bij de innerlijke en uiterlijke houding en beweging van de mens. De fascie ‘in engere zin’, het bindweefsel in al zijn verschijningsvormen, iedere keer weer organen en andere weefsels met elkaar verbindend dan wel scheidend en daarmee beweging mogelijk makend. Meer en meer krijg ik het idee dat de fascie ‘in engere zin’ een organiserend principe is op het meest basale fysieke en mechanische niveau van het lichaam. Een integrator, zoals datzelfde integreren op zogenaamd hogere niveaus door systemen als het bloed en ook het zenuwstelsel in meer fysiologische en psychologische zin wordt mogelijk gemaakt. Meer en meer denk ik dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de ‘fascia in engere zin’, dat is het fasciële bindweefsel-systeem waarmee de osteopaat doorgaans werkt en de fascia ‘in ruimere zin’, waarbij ook organen van het innerlijk systeem denkbaar zijn zoals spieren maar ook bloed en hart, niet zozeer gekenmerkt door ruimtelijke anatomie maar door systematische continuïteit en architectuur. Deze ideeën zijn nog lang niet helemaal uitgerijpt maar als fenomenoloog heb ik het idee dat dit wel eens de denkweg zou kunnen zijn om uiteindelijk ook datgene te verstaan wat A. T. Still óók over de fascia heeft gezegd: “In the waters and the fluids of the fascia the soul is dwelling”. De fascia als meervoudig en op meerdere niveaus organiserend systeem, met de mechanische continuïteits-architectuur als meest ‘anatomische’, structurele dimensie van dit systeem. Onlangs trof ik twee artikelen aan via Facebook. Het ene ging over een Ierse chirurg die ophef maakt van en ook als zodanig erkenning krijgt voor het feit dat hij een nieuw orgaan zou hebben ontdekt, te weten het mesenterium, daarmee aangevend dat dit orgaan natuurlijk eeuwen lang door de collega-anatomen en collega-medici over het hoofd gezien zou zijn (http://www.irishexaminer.com/ireland/this-irish-academics-discovery-could-prompt- a-new-area-of-medical-science-427935.html). Mijn directe eerste spontane commentaar op deze publicatie is natuurlijk dat het ten eerste helemaal niet om een orgaan gaat maar om een onderdeel van het fascia-systeem en ten tweede dat het met veel poeha verdedigen de ontdekker te zijn van een nieuw orgaan alleen maar de anatomisch-klinische ziel behaagt die dan weer zijn naam, status en eigenwaarde aan de ontdekking van iets nieuws kan verbinden. Maar het is bepaald niet modern om aan de achterhaalde eenzijdige anatomische beschouwing van de mens een nieuw orgaan toe te voegen. Het tweede artikel getiteld “Do our bones influence our minds?” (http://www.newyorker.com/tech/elements/do-our-bones-influence-our-minds) deed recht aan iets anders. Het ging over een geneticus die de mogelijke rol beschrijft die het skelet heeft als mede-organiserend principe als het gaat om ons metabolisme. Hij focust op de belangrijke rol die het calcitonine speelt in het reguleren van allerlei functies tot aan die van de hersenen aan toe. En hij eindigt het betreffende artikel met de aardige opmerking “Geen enkel orgaan is een eiland”. Zo ook de fascia, zo ook het meso, zo ook het innerlijk: met anatomie, lokalisatie, causaal denken, de harde instrumenten van de moderne natuurwetenschap komt men niet uit. En een osteopaat kan al helemaal niet in dat laatstgenoemde denken zijn/haar wetenschappelijke bevestiging of erkenning vinden. Voorlopig zal ik, zolang het mij gegeven is, in mijn cursussen Embryo in Beweging – Het Embryo in ons doorgaan met mijn belangrijke missie en dat is mensen erop wijzen dat wat in elk anatomieboek beschreven is, ‘apparaatdenken’ en ‘spiermandenken’ is en dat zoiets als meso of de fascie als continuïteit scheppend principes in zulke apparaat- en spieranatomie afwezig is. En dat ook samenhang- denken in onze menskunde nog steeds een armetierig en niet volwaardig erkend leven leidt. Wat men in het anatomieboek mist, is continuïteit, architectuur, samenhang en daarmee geest. Andreas Vesalius is mijns inziens, naast Darwin, het belangrijkste vormende genie geweest voor onze moderne wetenschappelijke attitude. In die zin heb ik mij altijd voor mijn studenten in bewonderende zin uitgelaten over dit geniale geestelijk licht aan het einde van de donkere tijden van de middeleeuwen. Maar, zo is tegenwoordig ook mijn boodschap, het is nu aan de tijd om deze anatomische, machinale zienswijze op de mens om te ruilen, verder te voeren in een holistische en organische zienswijze. Daartoe hebben wij geen behoefte aan nieuwe horizonnen in de vorm van breinen en genen, maar aan nieuwe ogen. Alleen met dergelijke ‘nieuwe ogen’ kan de osteopathie wetenschappelijk erkend worden. Jaap van der Wal MD PhD Anatoom-embryoloog, filosoof-fenomenoloog Embryo in Beweging, een project van Dynamension Volg hem via www.embryo.nl “Het lichaam ontwikkelt zich uit ons, niet andersom. Wij schiepen ons lichaam, cel voor cel schiepen we het” (Rumi 1207-1273). Wij worden niet ‘gemaakt’, wij zijn van geest EN lichaam. Meer dan een zelf-programmerend genoom of een rondwandelend brein. Hier wordt een andere kijk geboden op ons voorgeboortelijk bestaan. Gangbare wetenschappelijke embryologie wordt verruimd tot een ‘embryosofie’: niet alleen verklaringen maar ook betekenis te geven.

Wij gebruiken functionele en analytische cookies om je een optimale gebruikerservaring te bieden en onze website te verbeteren. Accepteren Afwijzen
382